Uit de oude doos

Jacht en jachttoezicht

Bij de instelling van het Rentambt waren er 24 jachtpercelen met een totale oppervlakte van 48.350 ha. Later werd dit uitgebreid tot 37 percelen. Weliswaar zijn gronden, die bestemd waren voor dorpsuitbreiding en aanleg van rijkswegen uit de jachthuur genomen, maar daar staat tegenover dat in de jaren 1970 en 1971 fruitteeltgronden, die tot dusver buiten de jacht waren gebleven, hiervoor werden verhuurd. In 1976 bedroeg de totale voor de jacht verhuurde oppervlakte 43.885 ha.

Het Rentambt streefde voortdurend naar een zo goed mogelijke verstandhouding tussen jagers en grondgebruikers. Het jachttoezicht is daarbij een belangrijk instrument. De jagers worden er steeds weer opgewezen, dat ze - ook in hun eigen belang - een goede relatie met de boeren moeten bewaren of opbouwen. Een enquête, die in de jaren 1970-1976 door het Rentambt onder de grondgebruikers werd gehouden, heeft eveneens tot goede verstandhoudingen bijgedragen. De wildschadecommissie voor Overijssel werd in 1969 uitgebreid met enkele plaatsvervangende leden uit de Noordoostpolder. Een verzoek van de landbouworganisaties tot instelling van een aparte wildschadecommissie voor de IJsselmeerpolders werd door de minister van landbouw en visserij niet ingewilligd.

Bij de instelling van het Rentambt werd het jachttoezicht uitgeoefend door de jachtopzieners van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders. De Minister van Financiën wilde toen geen beslissing nemen over het wel of niet voortzetten van het Rijksjachttoezicht. Voorlopig stemde hij er mee in dat de jachtopzieners van de Rijksdienst het toezicht bleven uitoefenen. Een moeilijke situatie ontstond toen de Rijksdienst in de loop van 1964 deze jachtopzieners naar Oostelijk Flevoland moest overplaatsen.

De minister besloot toen het door de Rijksdienst gevoerde beleid  te continueren en jachtopzieners bij het Rentambt aan te stellen. Een unicum bij de Dienst der Domeinen! In de tweede helft van 1964 traden acht jachtopzieners en een hoofdjachtopziener in dienst.

Vijf werden overgenomen van de Rijksdienst. De kosten van het toezicht werden aanvankelijk ieder jaar aan de jachthuurders doorberekend. Na 1970 zijn de kosten begrepen in de huurprijzen. Evenals ten tijde van de Rijksdienst wordt reewildjacht buiten de jachtverhuring gehouden. Voor deze jacht geldt een vergunningstelsel, waarbij als regel de jachthuurders, in wier percelen reewild voorkomt, in de eerste plaats in aanmerking komen om het af te schieten. Met dit systeem wil men bevorderen, dat het reewild zo selectief mogelijk wordt afgeschoten teneinde een zo goed mogelijke stand - kwaliteit en kwantitatief - te behouden. Verder wordt bevorderd, dat het door het jachttoezicht nodig geoordeelde afschot op tijd en volledig wordt uitgevoerd en dat het reewild op deskundige wijze wordt bejaagd. Een goed jager op kleinwild hoeft allerminst een goed reewildjager te zijn.

Het selectief afschot van reebokken wordt bovendien bevorderd door de in de afschotvergunning opgenomen verplichting, het gewei tijdelijk voor een tentoonstelling beschikbaar te stellen. Het gewei (met onderkaak) geeft een belangrijke indicatie met betrekking tot een goed of fout afschot. De reewildstand bedroeg in 1963 ongeveer 350 stuks. Deze stand was wat te hoog. In de daaropvolgende jaren is hij door selectief afschot verbeterd en teruggebracht tot ongeveer 300 stuks.

Door de toenemende recreatie en verontrusting in de bossen neemt de stand de laatste jaren af. In 1977 waren er ongeveer 250 reeën in de Noordoostpolder. Het jaarlijkse afschot van de bokken is van ruim 50 in 1963, via 80 in 1969 teruggelopen tot 25 a 30 stuks. Het geitenafschot is eveneens verminderd. In 1963 werden er 45 geiten geschoten. In 1977 lag dit afschot tussen 20 en 25 per jaar. Het aantal geschoten kalveren liep eveneens terug van ongeveer 60 in de jaren 1963-1968 tot ongeveer 35. Het verkeer eist steeds meer slachtoffers. Het aantal stuks valwild bedroeg in het seizoen 1975-1976 13 bokken, 14 geiten en 12 kalveren. 

De Noordoostpolder: hazenbestand liep terug

De Noordoostpolder was vooral in de jaren 1952 en 1953 een zeer hazenrijk gebied. In 1953 werden meer dan 13.000 hazen geschoten. In 1963 bedroeg dit aantal ruim 5.000. De stand wisselde soms sterk. Vooral na 1968 toont het hazenbestand een dalende lijn. In 1975 bedroeg het afschot nog slechts 1.250 stuks; in 1976: 1.300.

In 1966 trad onder de hazen plaatselijk veel ziekte op (pseudo tbc, coccidiosis en pasteurellose). In december 1968 moest in bijna alle percelen de hazenjacht verboden worden in verband met de geringe stand.

Liep het hazenafschot terug, het aantal geschoten fazanten vertoonden daarentegen een duidelijke stijging. In 1963 werden bijna 3.700 hanen geschoten, in 1975 waren het er ruim 6.000 en in de jaren 1967 en 1971 werden zelfs meer dan 7.000 hanen geschoten.

Ook het hennenafschot steeg, namelijk van ruim 2.800 in 1963 tot bijna 4.000 in 1975, met een piek van ruim 6.000 in 1967 en een laagtepunt van bijna 2.300 in 1968. De fazantenstand werd mede beïnvloed door het uitzetten van deze dieren.

De konijnen werd ieder jaar geplaagd door de myxomatose. Het afschot ligt gemiddeld op zo'n 500 stuks per jaar.

De patrijzenstand toont een lichte vooruitgang. Jaarlijks worden 150 a 200 stuks geschoten. Het aantal duiven neemt sterk toe. Werden er in 1963 170 duiven geschoten, in 1974 sneuvelden er ruim 5.000. Het gemiddelde jaarlijkse afschot ligt tussen de 3.000 en 4.000.

De eendentrek is sterk afhankelijk van het weer. Het afschot wisselt dan ook sterk. Het ligt tussen de 4.000 en 6.000 stuks per jaar. Het aantal ganzen dat in de winter de polder bezoekt wisselt eveneens in hoge mate. In 1973 verbleven er gedurende enkele weken 6.000. Het afschot is zeer variabel. In 1975 werden er bijvoorbeeld 735 geschoten tegen 126 in 1974.

Kraaien, eksters, Vlaamse gaaien en verwilderde katten worden door het jachttoezicht steeds kort gehouden. In het Kuinderbos worden soms enkele vossen gesignaleerd. Herten en wilde zwijnen komen in de Noordoostpolder niet voor.

De jachtpercelen worden steeds voor 6 jaren verhuurd. Is een huurovereenkomst geëindigd, dan wordt het perceel eerst aan de oude huurderscombinatie aangeboden tegen een door de Minister van Financiën vastgestelde prijs. Wordt het aanbod niet aanvaard dan wordt het perceel bij openbare inschrijving te huur aangeboden. De door de minister vastgestelde prijzen sluiten zoveel mogelijk aan bij op dat moment geldende landelijke huurprijzen voor jachtterreinen. Soms voorkomende uitschieters worden niet als maatstaf genomen. Verder zijn ze gebaseerd op de kwaliteiten van de jachtpercelen.

De prijzen die bij de openbare inschrijving worden verkregen, zijn uiteraard afhankelijk van de bedragen, die de inschrijvende jagers voor hun sport over hebben. In 1963 en 1964 golden gemiddelde huurprijzen van fl. 4,50 per ha voor de vlakjacht en fl. 6,65 per ha voor de bosjacht. Openbare inschrijvingen resulteerden in een gemiddelde prijs van fl. 3,92 per ha. De kosten van het toezicht waren toen niet in de huurprijzen begrepen.

In de jaren 1968, 1969 en 1970 werden de huurprijzen gebracht op fl. 7,-- tot fl. 12,58 per ha, inclusief toezichtkosten. In de jaren 1974-1976 zijn de prijzen sterk verhoogd. Ze kwamen te liggen tussen fl. 17,50 en fl. 25,00 per ha, incl. toezichtkosten.

Oostelijk Flevoland: 1 februari 1967 tot 1 februari 1968:

In het jachtseizoen 1967-1968 werden in totaal 36.593 stuks wild afgeschoten op de door de Rijksdienst verhuurde gronden en wateren in Oostelijk Flevoland.

De reewildstand ontwikkelde zich goed en ook de kwaliteit van dit wild gaat vooruit, hetgeen merkbaar is in de geweien en het gewicht. Meermalen komt het voor dat een geit drie kalveren werpt. Door deze snelle ontwikkeling van de stand moest het afschot meer dan verdubbeld worden.

De hazenstand was beter dan in de voorgaande jaren. Ook dit jaar kwam er weer een massale sterfte onder dit wild  en wel in de maanden september en oktober. Ook werden er veel hazen doodgereden. Het afschot bedroeg in dit jaar 2.567 stuks.

De fazantenstand ontwikkelde zich door de goede weersomstandigheden zeer goed.  De gaapziekte( keelworm)  was minder in hevigheid  en eiste minder slachtoffers. Het totale afschot  van fazanten in geheel Oostelijk Flevoland bedroeg 10.171 hanen en 8.852 hennen. Het bijvoeren van fazanten werd centraal geregeld en werd uitgevoerd op de daarvoor in aanmerking komende plaatsen.  De aflevering van het voer door het Centraal magazijn, had een vlot verloop en het voer was van goede kwaliteit.

Mede door het gunstige weer ging de patrijzenstand iets vooruit. Er werd niet speciaal op patrijzen gejaagd, doch deze werden alleen bejaagd tijdens drijfjachten op ander wild.

Het totale afschot bedroeg dan ook slechts 49 stuks.

Broedgevallen van de houtsnip werden niet waargenomen. Deze geliefde vogel liet zich dit jaar veel meer zien. De houtsnip die vooral met oostenwind en nachtvorst aanwezig is, is een volgende dag even snel weer verdwenen. Het afschot bedroeg dit jaar 81 stuks.

Het aantal wilde eenden dat ieder jaar een broedplaats in Oostelijk Flevoland zoekt wordt ieder jaar groter. In de zomermaanden kwam plaatselijk zeer veel val van eenden voor op erwten, gerst en tarwe. Het afschot van waterwild in de volledige jachtpercelen bedroeg 8.621 stuks. Wintertalingen worden in mindere mate gezien dan voorgaande jaren. Dat komt doordat het aantal dagverblijven voor deze vogels kleiner wordt.

Het aantal grauwe ganzen was ongeveer gelijk aan dat van 1966. Het aantal kolganzen dat in de maanden december en januari in de polder aanwezig was, bedroeg ongeveer 3.500 stuks. Het aantal slobeenden nam toe. Er werden van deze eenden meer broedgevallen aangetroffen dan in voorgaande jaren. Ook het aantal pijlstaarteenden was dit jaar veel groter dan voorheen.

Gedurende de zomermaanden nam de konijnenstand weer enorm toe. De bestrijding van dit schadelijk wild werd toen ook weer intensief ter hand genomen. Door het jachttoezicht werden 1.269 konijnen opgeruimd. Door het uitbreken van de myxomatose werd er niet meer op gejaagd, doordat deze ziekte veel slachtoffers eiste.

Het aantal verwilderde katten  neemt sterk toe, zowel in de bosgebieden als in het nog niet ontgonnen gedeelte van Oostelijk Flevoland. Ook het aantal verwilderde duiven neemt aanzienlijk toe. Plaatselijk was er veel overlast op ingezaaide granen.

Ook gedurende het jachtseizoen 1967/1968 werd op dagvergunning gejaagd op fazanten in het nog niet voor de jacht verhuurde gebied in Oostelijk Flevoland en wel op dezelfde condities als in 1966. Fazanten die niet door de combinaties werden meegenomen, werden door een dagprijs afgeleverd  bij de poelier. De opbrengsten hiervan werden afgedragen aan de Rijksdienst te Dronten.

Door het jachttoezicht werden surveillances, voorgeschreven controles en nachtdiensten verricht. De stropers waren erg actief, hetgeen blijkt uit het aantal procesverbalen.  Deze lieden komen uit alle delen van het land en oefenen hun praktijk uit vanuit een auto.Enkele malen verliep de ontmoeting tussen het jachttoezicht en deze personen minder prettig en moest tot aanhouding worden overgegaan. In totaal werden 216 procesverbalen opgemaakt.

Hierbij werden in beslag genomen: 5 auto's, 2 jachtgeweren, 19 vuurbuksen, 8 luchtbuksen, een grote hoeveelheid munitie, 2 richtkijkers, 1 foedraal, 1 lichtbak, 1 katapult, 26 hazen, 37 fazanten, 4 konijnen, 14 eendenkuikens, 17 eendeneieren, 6 fazanteneieren, 3 kievitseieren, 4 grutto-eieren, 2 hoezen met hengelstokken, 1 hoekwant met 27 haken, 1 hoekwant met 13 haken, 4 zetlijnen, 1 mand met visgerei, 1 set visgerei.

In verband met in beslag genomen vuurwapens werd steeds huiszoeking bij de verdachten verricht, dit in samenwerking met de Rijks- of gemeentepolitie ter plaatse, hetgeen enkele malen resultaat opleverde. De verstandhouding en de samenwerking met de Rijkspolitie was zeer goed.

Misschien is het leuk om wat jachtresultaten uit het jaar 1967-1968 weer te geven; op een oppervlakte van 38.237 ha werd het navolgende geschoten:

hazen: 2.541; ganzen: 155; eenden totaal: 9.003; fazantenhanen: 10.171; fazantenhennen: 8.852; snippen: 135; patrijzen: 49; konijnen: 2.500; houtduiven: 177; totaal 33.583 stuks.

Zuidelijk Flevoland 1967-1968:

In 1967 werden onregelmatige controles uitgevoerd door het jachttoezicht op de dijken van Zuidelijk Flevoland. De publieke belangstelling voor dit gebied neemt zeer toe. Eind januari 1968 was reeds een strook grond langs de dijk tussen Nijkerk en Spakenburg drooggevallen. Dit gebied, dat voor de broedtijd reeds tot ver in de polder zal zijn drooggevallen., vormt een bij uitstek geschikt terrein als broedplaats voor diverse vogels. Daar reeds is geconstateerd, dat personen in de omgeving van Spakenburg per boot oversteken naar de polder en ook veel eieren hebben weggehaald, zal dagelijks toezicht noodzakelijk zijn.